Biografie Paul Celan

Willekeurige Joodse mannen worden aangehouden enop het Jonas Daniël Meijerplein hardhandig bijeen gedreven door zwaar bewapende leden van de Ordnungspolizei 22 februari 1941. (Beeldbank WO2 - NIOD)

Antisemitisme (1935-1945)

De andere zijde van Pauls jonge leven wordt gekenmerkt door antisemitisme van Roemeense, Russische en Duitse zijde. Tot driemaal toe wordt hij gedwongen van school of opleiding te wisselen. Want ook in Roemenië zijn er rechtse groeperingen die anti-Joods zijn, zoals Paul tijdens zijn schooltijd ervaart. In een brief aan zijn tante Minna schrijft hij dat hij een 300 bladzijden dik boek zou kunnen schrijven over het antisemitisme in zijn klas. Meerdere keren heeft hij conflicten met leraren. Klasgenoten herinneren zich dat Paul telkens weer met antisemitische docenten in debat gaat om de Duits-joodse cultuur en de Jiddische taal te verdedigen, als spreken zijn ouders en hij thuis geen Jiddisch, maar Duits.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wordt het gebied op grond van het pact tussen Hitler en Stalin op 20 juni 1940 door het Russische leger bezet. Joden die verdacht worden van zionistische activiteiten worden gedeporteerd naar Siberië. Paul moet meewerken aan de verspreiding van marxistisch-leninistische propaganda, bijvoorbeeld bij de viering van 1 mei (de internationale Dag van de Arbeid). In zijn strijd tegen het antisemitisme heeft Paul weliswaar linkse sympathieën, maar hij wantrouwt de Russen. Uit de berichten van de Franse schrijver André Gide weet hij dat Stalin in de jaren 1930 in de Sovjet-Unie duizenden joden heeft laten vermoorden.

Op 5 juli 1941 bezetten Duitse nazitroepen Czernowitz. Meer dan 3000 vooraanstaande joden worden vermoord en meer dan 45.000 mensen worden gedwongen in een getto te leven. Paul wordt ingezet bij het inzamelen en verbranden van communistische boeken en pamfletten. Wanneer de deportaties van joden beginnen duikt hij regelmatig onder in een oud fabriekspand of logeert hij bij een vriendin. Zijn ouders weigeren met hem mee te gaan, omdat ze hopen dat de transporten hen naar een voor joden bestemd ‘vrij gebied’ zullen brengen. Voor het plan van zijn vader om naar Israël te vluchten, is het dan al te laat. Op een zaterdag in juni 1942 (Paul is ondergedoken bij een vriendin) worden de ouders opgepakt en door de nazi’s naar het concentratiekamp Michailovka gedeporteerd. Pauls vader sterft enkele maanden later aan tyfus en zijn moeder wordt kort daarop door een nekschot vermoord.

Paul zit van juni 1942 tot februari 1944 gevangen. Hij zelf weet de zware dwangarbeid in meerdere werkkampen te overleven. Het zijn vaak mobiele kampen, waar de gevangenen in de open lucht overnachten. Gedurende de dag moeten ze puin ruimen, stenen sjouwen of greppels graven (‘schaufeln’) voor de aanleg van wegen en bruggen. Het eten is slecht, vaak niet meer dan waterige soep. In de kampen leert hij Jiddisch spreken en maakt kennis met joden uit geheel andere milieus. Tijdens zijn gevangenschap heeft Paul soms even contact met vrienden, van wie hij hoort dat zijn ouders zijn vermoord. Aan vriendin Ruth Lackner geeft hij zijn in gevangenschap geschreven gedichten mee, in de hoop dat ze bewaard blijven. Wanneer in februari 1944 Russische troepen de Boekovina bevrijden wordt zichtbaar welke verschrikkingen de nazi’s hebben aangericht. Paul hoort verhalen van overlevenden en leest in Russische kranten berichten over concentratie- en vernietigingskampen. Deze berichten en zijn eigen ervaringen verwerkt hij in mei 1945 in zijn gedicht Todesfuge, dat hij beschouwt als ‘grafschrift’ én als ‘het enige graf’ van zijn moeder.