Helly Oestreicher

Helly Oestreicher (1936) woont en werkt als beeldend kunstenares in Amsterdam. Ze is opgeleid aan de Rietveld Academie waar ze ook jarenlang heeft gewerkt als docente. Ze maakt verschillende soorten kunstwerken, die opvallen omdat ze nogal ongewoon of ‘modern’ zijn. Schilderijen van landschappen of portretten van mensen kom je in haar atelier niet tegen. Ook het materiaal dat zij gebruikt is anders dan men gewend is. Geen hout, steen of brons, maar zelf in de oven gevormd glas, porselein of klei is het basismateriaal waarmee zij vervolgens nieuwe ‘objecten’ maakt. Soms gebruikt ze al bestaand ‘afval’-materiaal, zoals ijzeren moeren, boomschors of schelpen waarmee ze dan nieuwe ‘dingen’ maakt.

‘Het lijkt nergens op’

Wie het werk van Helly Oestreicher wil beschrijven, moet veel woorden tussen aanhalingstekens zetten, omdat haar kunstwerken nogal apart zijn. Ze zijn geen afbeeldingen van de werkelijkheid, maar nieuwe creaties. Het zijn dus ook geen voorwerpen die je voor iets kunt gebruiken. Soms lijkt dat wel zo, maar is het toch even anders. Bekend is haar ‘anti-pot’ (of ‘omgekeerde vaas’ [foto]), een vorm van keramiek die op een vaas of pot lijkt, maar dicht is van boven en dus niet als ‘vaas’ of ‘pot’ kan dienen. Het ‘ding’ is dus gewoon een vorm om een lege binnenruimte heen, of zoals de kunstenares zegt ‘iets om niets’. En in haar golvende ‘glasvoorwerp’ [foto] zou je nootjes of chips kunnen presenteren, maar er past niet veel in de holte, de glasplaat is loeizwaar en past amper in een afwasmachine; dus niet zo geschikt als presenteerschaal. En dat is precies wat de kunstenares beoogt. Haar werk ‘lijkt nergens op’ zegt ze zelf, omdat het geen herkenbare weergave van iets uit de werkelijkheid wil zijn, maar gewoon een ‘ding’ in de ruimte is, dat de toeschouwer uitnodigt om het te zien, aanraken, voelen of misschien ook horen en ruiken, om zelf te ontdekken.

‘Ik wilde niet meedoen’

Maar het idee voor een kunstwerk moet toch ergens vandaan komen? Over haar inspiratie laat Helly Oestreicher weinig los. Het experimenteren met materiaal en de ontdekking van nieuwe vormen is voor haar op zichzelf al een spannend avontuur. Maar in een interview met Beppe Kessler in 2018 licht ze toe: ‘Van meet af aan was ik in mijn werk in verzet. Dat zeg ik nu op oudere leeftijd, dat heb ik nooit eerder erkend. Ik had mijn vak goed geleerd, en ik kon het goed, technisch en technologisch, maar ik wilde niet meedoen. Ik wilde erbuiten staan.’ (bij het interview zijn ook beelden van de werken te zien. Ga naar: https://www.youtube.com/watch?v=caqtOtl2wG8).
Je zou deze houding kunnen vergelijken met die van Paul Celan, die opgroeit met klassieke poëzie maar in zijn eigen werk breekt met de traditie. Zijn gedichten rijmen niet, volgen geen regelmatig ritme, en de beelden die hij gebruikt, zijn geen letterlijke of fotografische afbeelding van de werkelijkheid. Toch beweert Celan heel stellig: ‘Elk woord is met directe betrekking tot de werkelijkheid geschreven’… en toch geen afbeelding van de werkelijkheid, maar een ontmoetingsplaats van de (toekomstige) lezer met de woorden van dichter. Ook Celan gaf zelden toelichting, maar zei: ‘Lezen, telkens weer lezen, het begrijpen komt vanzelf.’

Hommage aan Paul Celan

Voor Helly Oestreicher vormen gedichten van Paul Celan een inspiratiebron. Naast haar ‘Hommage aan Paul Celan’ (zie werkschrift p. 20) heeft ze in 1995 een serie steendrukken gemaakt bij tien gedichten van Paul Celan. De drukwerken worden gemaakt door op steen te schilderen en deze beschilderingen – met papier erop – af te drukken onder de lithopers.

Bij Celans gedicht ‘Stehen’, waarin hij het ‘op appel moeten staan’ in de werk- en concentratiekampen verbindt met ervaringen van leegte (de lege ruimte, waar ooit mensen waren, de lege ruimte zonder taal, in de schaduw van hen die in de lucht zijn…) worden parallellen zichtbaar tussen beide kunstenaars. De blauwe steendruk laat twee door strepen opgebouwde blokken zien die zweven boven een blauwe basis. Het ‘staan’ wordt dus uitgebeeld door de lege ruimte tussen een basis en twee blokken die erboven, in de lucht, zweven. Ook hier is de ervaren leegte tegelijk de uitdrukking van wat er niet (meer) is, ‘iets om niets’.

Meridianen

De parallellen tussen de kunstenaars Helly Oestreicher en Paul Celan lijken ook op hun levensloop van toepassing. De Amsterdamse Helly Oestreicher is net als de in Parijs werkende Paul Celan het kind van Duitstalige joodse ouders uit het Oosten van Midden-Europa. Helly Oestreicher wordt in 1936 in de Tsjechische stad Karlovy Vary (destijds Karlsbad genoemd) geboren, samen met haar tweelingzus Maria, twee jaar na hun oudere zus Beate. Moeder Gerda Laqueur is germaniste, vader Felix is arts en onderzoeker. Het gezin vlucht in 1938 voor de dreigende inval van de nazi’s vanuit Karlsbad naar Nederland, maar ook hier zijn ze niet lang veilig. Ze leven in feite ondergedoken, en de ouders geven hun kinderen thuis les. Dat we veel weten over het leven van Beate, Helly en Maria in de oorlogstijd is te danken aan de uitvoerige berichten die vader Felix over de opvoeding van de meisjes schrijft (zie ru.nl/drillingsberichte). In 1943 wordt het gezin opgepakt en naar concentratiekamp Bergen-Belsen gedeporteerd. Gerda en Felix overleven de oorlog niet, maar de drie meisjes worden gered en in Nederland opgevoed door hun tantes. Beate wordt scheikundige en is bekend als vredesactiviste, Maria wordt sociologe en Helly beeldend kunstenares.
Paul Celan noemt de verbindingslijnen tussen de levenslopen van mensen ‘Meridianen’. Het woord verwijst zowel naar de lijnen in de handen van een mens (de levenslijn, de liefdeslijn etc. die de levensloop tonen) als naar de denkbeeldige lijnen over de aarde, waarmee tijden en plaatsen worden bepaald. Volgens Celan lopen er dus verbindingslijnen tussen Czernowitz, Parijs, Amsterdam en Karlovy-Vary, ofwel meridianen waarlangs Paul Celan en Helly Oestreicher elkaar ontmoeten, ook door hun kunstwerken.

Todesfuge in Amsterdam

Helly Oestreicher maakt een kunstwerk bij (het originele typoscript van) Todesfuge voor de expositie in het Joods-Historisch-Museum, gelegen bij het Waterlooplein in Amsterdam. Paul Celan is daar in 1964 op zoek gegaan naar het geboortehuis van de joodse filosoof Spinoza, maar dat huis is dan al afgebroken. In zijn gedicht ‘Pau, später’ beschrijft Celan die lege plek op het Waterlooplein, beschrijft de menselijke traan als ‘een scherpere lens’ en betrekt zo ook de lenzenslijper en filosoof Spinoza in zijn eigen levenslijnen. Zal hij geweten hebben dat niet ver daar vandaan in 1945 verzetsheld Jan Kloos door de nazi’s is vermoord? Denkt hij dan aan Diet Kloos, aan wie hij het typoscript van Todesfuge (het grafschrift voor zijn moeder) heeft gegeven, die daar heeft gelopen, om een glimp op te vangen van Jan? In haar kunstwerk bij Todesfuge brengt Helly Oestreicher de vele levenslijnen samen en ontmoeten ze elkaar: Friederike Antschel (de moeder van Paul Celan), Felix Oestreicher, Jan Kloos en Diet Kloos, via Paul Celan en Helly Oestreicher.

In het gedicht ‘Ein Auge, offen’ schrijft Paul Celan:
‘De traan, half,
de scherpere lens, beweeglijk
haalt voor jou de beelden op’
De ‘traan’ is misschien de beste uitdrukking – de meest menselijke expressie – voor wat er in Auschwitz is gebeurd. Voor Celan is de traan daarom ‘een scherpere lens’, alsof je juist door het verdriet heen beter ziet. Helly Oestreicher maakte een steendruk bij het gedicht: zie bovenaan deze pagina.